Politici bieden tegen elkaar op met voorstellen die jongeren in het gareel moeten krijgen. Onnodig en gevaarlijk, betogen Eric Nordholt en Maarten van Poelgeest vandaag in de Volkskrant.

In een aantal buurten in onze grote steden is sprake van onrust. Soms gaat het om puberende jongeren die vervelend zijn, maar soms gaat het verder en worden mensen structureel gepest en getreiterd. Dat is niet acceptabel en daar dient tegen te worden opgetreden.
De onrust wordt aangegrepen door politici die steeds weer de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen op scherp te zetten en politici die proberen stoer, hard en vooral niet soft over te komen. Zij wakkeren hiermee de onrust verder aan en maken het werk van de politie en buurtinstellingen alleen maar moeilijker.

Bij het doen van allerlei repressieve voorstellen, buitelen de politici over elkaar heen. Een avondklok wordt niet alleen gesteund door rechts, maar inmiddels ook door PvdA en SP. Gedreigd wordt om ouders die niet op onderwijs- en opvoedingsspreekuren verschijnen te korten op de kinderbijslag.
Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat hierbij opportunistisch gehandeld wordt. Zachte woorden, nuance en begrip, het leent zich niet voor sweeping statements waar de media en het volk naar lijken te hunkeren. Wie echt ‘door’ wil komen, moet in hardheid over de laatste spreker heen.
Het gevolg is een sfeer van angst. Steeds meer mensen vragen zich hardop af of ‘Franse Toestanden’ hier ook mogelijk zijn. En dat terwijl iedereen weet dat Franse steden gelukkig onvergelijkbaar zijn met onze steden. Politici en opiniemakers die al te graag verwijzen naar Frankrijk, spelen met vuur. Angst is de ideale voedingsbodem voor populisten.

Een ander voorbeeld is het tragische ongeluk met dodelijke afloop van een Marokkaanse jongen met het nodige op zijn kerfstok enige tijd geleden in stadsdeel Slotervaart in Amsterdam-West. Het ongeluk was nog niet gebeurd of alle instanties in de buurt (politie, welzijnswerk, stadsdeel) en buurtbewoners beseften dat het ongeluk wel eens de lont in het kruidvat kon zijn. Opgekropte frustratie over uitsluiting en discriminatie, de zucht om het gezag uit te dagen, ingrediënten voldoende aanwezig voor een flinke rel. Die rel is er niet gekomen dankzij de eendrachtige en vastberaden samenwerking tussen politie, welzijnsinstanties en buurtbewoners. Feit en fictie werden snel van elkaar gescheiden. Het buurthuis ging onmiddellijk open. Jongeren kregen de gelegenheid hun verhaal te doen. De buurtvaders gingen de straat op.
Het is veelzeggend voor het huidige klimaat van angst en repressie dat de gebeurtenissen geheel anders in de krant kwamen. De politie zou zich uit de wijk hebben teruggetrokken, omdat besloten werd de extra inzet van politie, bovenop het reguliere surveilleren, in burger te doen. Het land was, zo leek het, even te klein. En dat terwijl er sprake was van goed politiewerk.

Een tweede ding is ons opgevallen. Het enkele feit dat de opgroeiende jeugd in onze steden steeds meer bestaat uit tweede generatie migranten is voor steeds meer politici en opiniemakers reden om bij incidenten, soms ernstige incidenten, de integratie van minderheden meteen als mislukt te verklaren. In één beweging door wordt daarbij onmiddellijk de aandacht gericht op de islam. Het islamitische geloof en onze open westerse samenleving zouden per definitie niet met elkaar te verzoenen zijn. Het adagium is al snel ‘aanpassen of ophoepelen’. Wat de islam nu precies te maken heeft treiterende jongeren, wordt niet duidelijk.
De laatste jaren zijn het vooral politici geweest (Wilders, Pastors, Hirsi Ali, Verdonk) die de verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen op scherp hebben gezet.  Wanneer mensen zich aangevallen voelen in wat hen verbindt met hun ouders en met de tradities die hen gevormd hebben, zullen zij de band met deze herkomst juist aanhalen en staan zij minder open voor andere, nieuwe waarden.

De politie krijgt dit allemaal op zijn brood. De politie is niet langer je beste vriend, maar de sterke arm van een samenleving, van een dominante cultuur die je uitsluit, kleineert en discrimineert. De politie is als geen ander het gezag dat uitgedaagd kan worden. Met als bijkomend voordeel dat het niet onopgemerkt zal blijven. Je kunt dan misschien geen ‘idol’ worden, maar toch op TV komen (en dus bestaan) als straatschoffie waar iedereen zenuwachtig van wordt.

In Frankrijk ging het onder meer mis omdat de politie niet in de wijk of de buurt geworteld is. Het lijkt eerder op een legermacht die banlieu’s in marcheert op het moment dat het al te laat is. Bij ons is dat gelukkig niet zo. Buurtregisseurs zitten diep in een buurt, kennen de mensen en weten dat politiewerk veel meer is dan mensen op de bon slingeren. Politici die de (etnische) verhoudingen steeds meer op scherp zetten en politici die snel willen scoren met stoere taal en repressie, laten de buurtregisseur in de kou staan.
Amsterdam, de stad van ‘erbij horen en mee doen’, de stad van ‘de boel bij elkaar houden’, is een lichtend baken in deze barre tijden. Dat moet zo blijven. Verdubbel het aantal buurtregisseurs. Investeer in meer buurtvoorzieningen. Zorg voor meer stageplekken voor jongeren. Help schoolverlaters snel aan een baan. Verbeter het onderwijs. Vecht tegen discriminatie. Maar verlustig je niet aan een avondklok. Bedreig ouders niet met het korten van de kinderbijslag, maar benader ze actief. Steun hen, maar wijs hen ook op hun eigen verantwoordelijkheid voor hun kinderen. En laat de politie in de buurt haar werk doen.

Eric Nordholt (oud-hoofdcommissaris politie Amsterdam-Amstelland)
Maarten van Poelgeest (fractievoorzitter en lijsttrekker GroenLinks Amsterdam)