Maarten van Poelgeest schreef een opiniestuk in de Volkskrant naar aanleiding van het schietincident op het Mercatorplein.
Het komt gelukkig in Nederland niet vaak voor dat politieagenten met scherp schieten. Toch is elke keer als dit gebeurt een keer te veel, zeker als er sprake is van een dodelijke afloop. Dat neemt niet weg dat zich situaties kunnen voordoen waarin agenten gedwongen worden hun toevlucht te nemen tot dit uiterste middel. Of dit laatste het geval is bij het meest recente schietincident op het Amsterdamse Mercatorplein moet in de eerste plaats het nu lopende onderzoek van de Rijksrecherche uitwijzen. Ik zeg dit niet alleen om me te willen verschuilen achter procedures, maar ook omdat de maatschappelijke context rond dit incident explosief genoemd mag worden. Het gedrag van een kleine groep jongeren, de nasleep van 11 september, de om zich heen grijpende angst voor islamitisch fundamentalisme en de nog steeds bestaande discriminatie op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt van migranten, zorgt ervoor dat veel migranten in het algemeen en Marokkanen in het bijzonder, steeds meer ronduit vijandig benaderd worden door hun Nederlandse medeburgers en de officiële instanties.
Deze maatschappelijke werkelijkheid is gebleken een goede voedingsbodem te zijn voor de beschuldiging dat het op het Mercatorplein om een racistische moord zou gaan. Als de zaak niet zo ernstig zou zijn, dan zou men smakelijk kunnen lachen om de eis van de demonstranten op zaterdag 16 augustus om een onafhankelijk onderzoek, opdat de dader gestraft wordt. Hoewel de beschuldiging dat het om een racistische moord zou gaan mag voortkomen uit een bestaand en reëel gevoel van onbehagen bij een grote groep migranten, is het doen van een dergelijke beschuldiging nog meer olie op het vuur gooien daar waar kalmte en het getuigen van medeleven met de nabestaanden meer op z’n plaats is. Maar ook de pavlov-reactie van de zijde van de korpsleiding bij monde van Jelle Kuiper en Joop van Riessen dat de agent a-priori geen blaam treft, kan ook moeilijk gezien worden als een poging de gemoederen niet verder te laten oplopen.
De gang van zaken de afgelopen weken roept bij mij wel de vraag op of de procedure hoe te handelen bij incidenten waarbij de politie heeft geschoten, niet veranderd moet worden. Men kan zich voorstellen dat afgesproken wordt dat dit soort zaken altijd voorkomen bij de rechter. Het is dan de rechter die het uiteindelijke oordeel uitspreekt of de betrokken agent juist gehandeld heeft of niet. Nu wordt een dergelijk oordeel door niemand uitsproken. Op basis van het onderzoek van de Rijksrecherche beslist het Openbaar Ministerie slechts of er voldoende grond voor vervolging bestaat of niet.
Het voordeel van het standaard laten voorkomen van dit soort zaken is dat het oordeel van de rechter over het algemeen als meer onafhankelijk wordt gezien. Daarnaast wordt getuigen de kans geboden om hun verhaal in het openbaar in de rechtszaal te doen en niet alleen tegenover de Rijksrecherche en de snorrende camera’s van de vaderlandse pers. En tot slot is er voor de individuele agent ook wat te winnen. Een uiteindelijk oordeel van een rechter dat je onschuldig bent, voelt toch een stukje prettiger dan het oordeel van een Officier van Justitie dat er onvoldoende grond is voor vervolging.
Hoewel het achteraf speculeren blijft, denk ik dat de zojuist geschetste nieuwe procedure in het geval van het recente incident op het Mercatorplein reeds van het begin af aan deëscalerend had kunnen werken. Nabestaanden hebben de zekerheid dat de rechter uiteindelijk een oordeel uitspreekt. Mensen die schijnbaar de zaak alleen maar verder willen ophitsen wordt makkelijker de wind uit de zeilen genomen. En politiecommissarissen weten zich minder geprovoceerd en zullen beter hun mond houden.
Maarten van Poelgeest (fractievoorzitter GroenLinks Amsterdam)
verschenen in de Volkskrant op zaterdag 23 augustus