Het armoedebeleid moet en kan zoveel beter

Gisteren publiceerde de Kinderombudsman haar nieuwste onderzoek waarin uitgebreid wordt gekeken naar hoe kinderen in armoede hun leefsituatie ervaren. Daarin doet zij een pijnlijke constatering: ondanks alle regelingen van gemeentes voor kinderen in armoede ervaren kinderen niet minder armoede. De stress van ouders in een slechte financiële situatie, de onveiligheid, de uitsluitende mechanismen, dat raakt kinderen diep en zal hen altijd bijblijven. Er is niemand die dat níet erg kan vinden. Er is niemand die daar níet iets aan wil doen. Maar de vraag is, wat doe je eraan en hoe doe je er wat aan.

De Amsterdamse Rekenkamer publiceerde begin november ook haar onderzoek naar de impact van het armoedebeleid, met name bij kinderen. De raad had naar dit onderzoek gevraagd omdat er al langer een groeiend ongemak was bij hóe de SP-wethouder de regie voert over het armoedebeleid. Het extra geld is niet het probleem: er was 20 miljoen euro per jaar extra, in totaal ruim 100 miljoen euro. Die extra middelen waren voor de SP dé belangrijkste reden om mee te doen aan dit college.

De conclusies van de Rekenkamer zijn niet mals. Zij stelt dat gebrek aan regie en overzicht ervoor gezorgd heeft dat er onbewust veel minder van het extra geld bij minima kwam dan bedoeld. En ze concludeert ook dat het armoedebeleid ad hoc tot stand is gekomen. Er moest in korte tijd invulling gegeven aan al die extra miljoenen. Er ontbraken concrete plannen voor wat te doen met het extra geld.

De wethouder erkende dit vanmiddag ook: de SP haalde bij de onderhandelingen vele miljoenen euro’s binnen, maar had geen plannen om dit geld op een goede manier uit te geven. De beeldvorming van de extra middelen was belangrijker dan de daadwerkelijke impact.

Zo kon het ook gebeuren dat het college voorstelde om het bedrag voor de Scholierenvergoeding (een financiële tegemoetkoming voor schoolgaande kinderen) te korten – terwijl juist die regeling succesvol bleek en daadwerkelijk de kansen van kinderen vergroot - maar wel de PC regeling uit te breiden (waar kinderen een gratis laptop krijgen) – terwijl de impact op de situatie van kinderen in armoede juist in twijfel wordt getrokken. Zo kon het gebeuren dat ouders met een minimum inkomen geld uit verschillende regelingen bij elkaar moeten scharrelen om het diplomazwemmen van hun kinderen te kunnen betalen.

Armoede is een gegeven, zegt het college. Het hoort bij het stadsleven, zegt de wethouder. Maar armoede is geen gegeven. Armoede is een sociaal geconstrueerd verschijnsel. En het is ook iets wat oplost kan worden. Het gaat alleen niet zomaar weg als je meer geld uittrekt. Of nieuwe regelingen verzint.

Armoedebeleid vergt een brede aanpak, over alle domeinen: werk, schuldhulp, zorg en onderwijs. Kansen voor kinderen zijn niet los te zien van de financiële situatie van hun ouders. Dat vraagt ook een bestuur dat op een bedachtzame wijze omgaat met al die extra miljoenen die beschikbaar zijn. En niet een wethouder die alleen maar graag voor Sinterklaas speelt. Het armoedebeleid kan en moet zoveel beter.